Frank Weijers
- Thursday 29 October 2009 - 09:40
- 214 x read
Tijdens zomervakanties reis ik graag. Bij voorkeur ver weg, en daar dan weer vér van de gebaande paden. De taal vormt dan nog wel eens een interessante uitdaging. Waar in grotere steden nog wel wat Engels of een min of meer verstaanbare variant daarop wordt gesproken, moeten de gids en ik ons midden in de jungle redden met armen, benen, goede wil en tomeloos enthousiasme. We menen elkaar te begrijpen, totdat we drie keer zo lang lopen als ik had gedacht en we niet in dat leuke kleine, authentieke hutje overnachten, maar in een aftandse, lekkende tent. Goed voor m’n ‘avontuur bestaat nog’-gevoel, dat ik graag in mijn vakanties bevestigd zie.
Enkele weken geleden kwam ik op een school die sinds vier jaar haar organisatie rond teams heeft opgebouwd. ‘De meeste daarvan’, zo vertelde de rector, ‘functioneren inmiddels redelijk goed. Waar de teams vier jaar geleden zo ongeveer al hun tijd en energie besteedden aan de organisatie van ouderavonden en activiteitenweken, ligt hun energie nu aanzienlijk meer bij de bijdrage die ze gezamenlijk kunnen leveren aan de ontwikkeling van onderwijs en begeleiding. De schoolleiding heeft geleerd zich wat meer terug te houden, de teams leren de ontstane ruimte steeds beter te benutten.’ Inspireren, uitdagen, prikkelen, ontwikkeling van ieders talenten, een unieke bijdrage leveren, dat is de taal die meer en meer in de school wordt gesproken. Dat past bij wat de school wil zijn: een organisatie waar leren en ontwikkelen centraal staat. De teamleiders bleken echter al snel hun handen vol te hebben aan tal van regelzaken als absentiecontrole, roosterwijzigingen en de gevolgen van een gebrekkig functionerend leerlingvolgsysteem. Zo ontstond het fenomeen ‘assistent van de teamleider’: collega-teamleden die, daartoe gefaciliteerd, hand- en spandiensten gingen verrichten. En waar dat niet voldoende bleek, kregen zij op hun beurt (eveneens gefaciliteerd) steun van collega’s. ‘Een ongewenste en onbetaalbare situatie’, zo concludeerde de rector.
Een ‘quick scan’ wijst uit dat de basisorganisatie rammelt. Roostermaker, ict-medewerkers, conciërges, stafmedewerkers P&O, staffunctonarissen financiën & beheer: zij moeten zorgen voor het solide fundament van de lerende organisatie die deze school wil zijn. Hier is een andere taal vereist dan in de rest van de school: aansturen, opdrachten geven, deadlines stellen. Dat vraagt van leidinggevenden de vaardigheid om behendig te schakelen in de ‘tweetalige’ omgeving die iedere school is: inspireren en ruimte geven waar het gaat om onderwijsontwikkeling, opdrachten geven en deadlines stellen als het de basisorganisatie betreft. Daar zijn regels en procedures leidend, de rollen van de betrokkenen helder beschreven en de hiërarchische lijnen eenduidig. Sturing vindt vooral plaats op de rolvastheid van alle spelers. Als dat lukt, scheelt dat niet alleen veel geld, maar vooral ook veel weglekkende energie bij teamleiders en teamleden. Hun primaire klus is immers het samen verzorgen van goed onderwijs. Daar willen ze hun energie maar al te graag aan geven.
Avontuur bestaat nog, maar de verwarring die dat rond taal kan opleveren bewaar ik wel tot m’n vakanties.