Paul Ricken
- Monday 27 October 2008 - 23:49
- 130 x read
Mark Knopfler kan niet zingen. Picasso kon niet goed met kleuren omgaan. Clinton en Kennedy konden in het puriteinse Amerika niet van de wijven afblijven maar waren toch president. Jaap Jan van der Wal heeft een hazelip. Jochem Meyer is een ADHD-er. Balkenende heeft te veel normen en waarden. Johan Cruyff praat in cryptogrammen. Lucille Werner heeft een loopgebrek. Paul de Leeuw kent geen géne. Youp van ’t Hek vertelt iedere keer hetzelfde.
Ze lieten zich niet tegenhouden. ‘Waarom niet?’
Ik heb geen idee. Waarom zou ik?
Wat ik wel weet is dat een Picasso er altijd als een Picasso uit ziet. Wat ik wel weet is dat als je Mark Knopfler hoort zingen, dat het Mark Knopfler is. Wat ik wel weet is dat als je Jochem Meyer hoort praten, je Jochem Meyer hoort praten. Een Beethoven Symfonie klinkt altijd als een Beethoven Symfonie. Sinatra klinkt als Sinatra. Een Dali is een Dali.
Wat je dus mag doen om de top te worden in creatie, is met je eigen stem te leren zingen. Iedere creator zoekt naar dat ene Eureka moment. Het moment waarop je je eigen Mont Blanc en je eigen stem vindt.
Iemand ontdekte slowfood, iemand ontdekte cradle to cradle, iemand ontdekte ‘I have a dream’, iemand bevrijdde de bevolking van India, iemand ontdekte dat het om atleten gaat en niet om kleding en schoenen, iemand ontdekte Garfield, iemand ontdekte Donald Duck, iemand ontdekte Wicky de Viking, iemand ontdekt de inkeping voor beschuit.
Was het gewoon geluk? Ik weet het nog steeds niet.
Wat ik wel weet is dat het geen format was. Het ontstond terwijl iemand aan het spelen was met iets totaal nieuws, plotseling waren ze in staat hun hele zelf er in te stoppen. En dat is waar andere mensen op reageren. Niet de vorm, maar het menselijke, de eigen stem.