Het was weer geen spetterende bijeenkomst waar de vonken vanaf vlogen, afgelopen donderdag 22 april, bij het debat over het nieuwe utrechtse Collegeprogramma 2010-2014. Zegt Vincent Oldenborg, fractievoorzitter van
Stadspartij Leefbaar Utrecht. En hij vervolgt: Nou is dat ook niet zo verwonderlijk want het Collegeprogramma biedt, als het om de teksten gaat, voor iedereen wel wat leuks. Zelfs voor de VVD en Trots. Voor Stadspartij Leefbaar Utrecht zit er zelfs heel veel in waar we blij van zouden kunnen worden. Mooie plannen waar het gaat om bereikbaarheid, milieu en duurzaamheid, cultuur en het betrekken van de burgers bij de politiek. Ook de flinke uitspraken over het veranderen van de gemeentelijke organisatie kunnen op onze steun rekenen. Geen enkel probleem dus om op die onderdelen het Collegeprogramma te onderschrijven.
Zo’n experiment als de legalisering van de aanvoer van softdrugs bij de coffeeshops is natuurlijk mooi als het zou lukken. Het staat al jaren op ons verlanglijstje. Maar net als bij experimenten met regionale vormen van “rekeningrijden”, zijn we daarvoor volledig afhankelijk van de luimen van Den Haag. En zo langzamerhand weet iedereen wel dat daarvoor geldt: “Kun je rekenen? Reken dan maar nergens op”. Maar goed, nooit geschoten is altijd mis, dus wie weet?
Op twee terreinen is Stadspartij Leefbaar Utrecht beslist niet optimistisch: voor dit College liggen er twee grote problemen op de loer. Ten eerste de gemeentelijke schatkist en ten tweede de bereidheid van de gemeentelijke diensten om over de eigen schaduw heen te stappen en loyaal mee te werken aan de organisatieverandering die noodzakelijk is.
Wat het geld betreft is de situatie ronduit slecht. Nog los van de bezuinigingen die vanuit Den Haag op ons zullen neerdalen in de vorm van minder geld uit het gemeentefonds en van nieuwe taken die richting gemeentes zullen worden geschoven zonder de centjes die nodig zijn om ze uit te voeren, is er ook in eigen huis nog het nodige aan de hand.
Het vorige College heeft, overigens terecht, het nodige aan maatregelen bij de diensten neergelegd, maar die zijn bij lange na nog niet zijn gerealiseerd. Dat betekent dat er nog tientallen miljoenen door de gemeentelijke diensten zullen moeten worden opgehoest die niet in de staatjes van het Collegeprogramma zijn opgenomen. De buffer van 8 miljoen voor tegenvallers is dus al verdampt in de diensten voordat de inkt van het Collegeprogramma droog is. De mooie nieuwe ambities die geld kosten zullen, gezien de gemaakte afspraken, dus al snel weer moeten sneuvelen, als we niet tot de bedelstaf willen vervallen. De Collegepartijen kunnen een warme zomer verwachten, want het worden ongetwijfeld inspannende begrotingsgesprekken in de diverse optrekjes die ook wel achterkamertjes worden genoemd.
En dan hebben we nog de organisatieverandering. Jeroen Kreijkamp, de verantwoordelijk wethouder, wordt door de oppositie al de man van 55 miljoen genoemd. Het bedrag dat hij door de organisatieverandering vrij moet spelen.
Op 4 maart 2010 verscheen er een boekwerkje “De staat van de stad”. Een soort “Noor hoe staan we d’r voor” van de hand van de directeuren van de diensten. De inhoud van dat werkje, gekoppeld aan onze ervaring met de gemeentelijke organisatie in de afgelopen 10 jaar betekent dat de wethouder zijn borst mag natmaken. Het eigen dienstbelang gaat nog altijd boven concernbrede afspraken of afspraken die het College met de raad maakt. In de afgelopen vier jaar hebben we daar, bij elke accountantscontrole en bijna elk rekenkamerrapport weer voldoende voorbeelden van gezien.
Als afzonderlijke wethouders zich laten inpakken en zich tot spreekbuis laten maken door de dienstdirecteuren waar ze inhoudelijk veel mee samenwerken, dan heeft de wethouder personeel en organisatie het nakijken en mag die zich elke keer in bochten wringen om een gefrustreerde gemeenteraad van repliek te dienen. De enige oplossing is, dat het College, net als in de periode 2001-2006, als één blok optreedt en het werkelijk als een gezamenlijke en noodzakelijke opdracht ziet om de organisatieverandering te realiseren. Een krachtige gemeentesecretaris die, als algemeen concerndirecteur, die doelstelling ten volle ondersteunt is daarbij een belangrijke factor. Die vacature zal dan ook zeker de eerste uitzondering op selectieve vacaturestop moeten zijn.
Als nu ook de PvdA fractie nog leert om actief mee te doen aan het debat in de gemeenteraad over hun Collegeprogramma, en niet alleen Marry Mos en Gerda Oskam de kolen uit het vuur laten halen, dan kunnen het nog best vier aardige jaren voor Utrecht worden.